Perspectief (Wegen en kruispunten)

Van mens tot mensheid

Inlei­d­ing

Onder­weg in een onvrucht­baar land

De vorige keer hebben we al kort stilges­taan bij het begin van het grote avon­tuur, dat de prille en oner­varen mens op het punt staat te gaan begin­nen. Zoals aangegeven zijn de hoof­drol­spel­ers in het spel er klaar voor. Maar voor­dat we het ver­haal ver­vol­gen, zullen we de grote lij­nen uitzetten waarbin­nen het zich alle­maal zal gaan ontwikkelen.

Wij, als toeschouw­ers, staan ergens aan het eind of miss­chien halver­wege de tweede helft van de ontwikkelde geschiede­nis. Exact is het niet rel­e­vant. Punt is, dat wij terug kun­nen kijken en duidelijk de lijn kun­nen ont­dekken. De eerste mens stond aan het begin en als zodanig was het alles nog koffiedik. Het enige dat hem werd verteld, is dat het op een bepaald moment alle­maal weer in de juiste ver­houdin­gen zou wor­den terugge­bracht.

Nu is de zaak echter nog in neve­len gehuld. Wat we wel weten is het volgende:

  • De mens is niet meer in het bezit van zijn volle capaciteiten. Hij is gedoemd om zijn bestaan vooral­snog alleen in de natu­urlijke wereld te lei­den. Dit beeld wordt getoond als de mens door God buiten de hof van Eden wordt geplaatst. Zijn denken is begrensd. Hij kan zich alleen nog maar via beelden een voorstelling maken van God. Van zijn wan­delin­gen met God in de avond­koelte is slechts een vage herin­ner­ing overge­bleven. Zijn oor­spronke­lijke (nog te ontwikke­len) ver­mo­gen om zich ook in de onzien­lijke (geestelijke) wereld te bewe­gen is hij kwijtgeraakt.
  • Het eens onbekom­merde ver­lan­gen naar een relatie met God is ver­wor­den tot een onbestendig gevoel van angst en vrees voor een strenge en hard­vochtige god, die klaar staat om elke mis­stap met de vre­selijk­ste straf­fen te belonen.
  • De erf­zonde heeft zijn intrede gedaan. De erf­zonde is enerz­i­jds het chro­nis­che onver­mo­gen van de mens om zich aan God te onder­w­er­pen en anderz­i­jds het niet te onder­drukken ver­lan­gen om het zelf alle­maal onder con­t­role te houden. Door de erf­zonde is de mens het (uit)zicht op hemelse realiteiten kwi­jt­ger­aakt en loopt hij op de tast door deze wereld. Hij is zon­der het zelf te besef­fen gewor­den als een dob­bertje, dat niet meer via een lijn aan de hen­gel vastzit.
  • De mens is ten gevolge van het eten van de boom van ken­nis van goed en kwaad onder het oordeel terecht­gekomen. Daar­door is er een soort onzicht­baar gebied ontstaan, waarin de mens zijn leven leidt. Bin­nen dat gebied heeft de mens het voor het zeggen en mag hij bepalen hoe het verder gaat. Hij wordt echter beïn­vloed door het kwaad, waar­door zijn beo­ordel­ingsver­mo­gen steeds verder aftakelt.
  • Alles wat zijn oor­sprong vindt — en wordt uit­gevo­erd buiten God om noe­men we kwaad. Dat betekent, dat het kwaad geen gra­daties kent. Iets is niet kwader dan het andere. Ook zijn er geen grote of kleine zon­den. Alles dat niet uit God is noe­men we zonde. Het komt niet tot zijn doel. Het bouwt niet op, maar breekt af. De mens, in oor­sprong ontstaan uit God, ervaart het kwade en de zonde als ver­keerd. Echter door de ver­word­ing van zijn denken, brengt hij gra­daties aan. Voor God zijn echter alle zon­den gelijk, omdat deze voortkomen uit een gezind­heid die niet (op de juiste manier) op God gericht is.
  • De satan is een vast onderdeel gewor­den van de wereld om de mens heen. De satan is, in tegen­stelling tot de mens, een wezen dat zich volledig in de geestelijke wereld bevindt. Hij is der­halve niet gebon­den aan de materie en dus de tijd. De satan heeft maar één doel en dat is het plan van God, dat Deze met de mens heeft, dwars­bomen. Hij kan invloed uitoe­fe­nen op het denken van de mens. Daar fluis­tert hij zijn leu­gens. De mens raakt hier niet alleen aan gewend, maar ook vervreemdt hij steeds meer van zijn oor­spronke­lijke sta­tus. Hij kan op een bepaald moment geen onder­scheid meer maken tussen de influis­terin­gen van de satan en zijn eigen overdenkingen.
  • De schep­ping, maar ook de mens, zijn aan de vruchteloosheid onder­wor­pen. In feite betekent dit, dat ook wij van­daag de dag leven op geleend kap­i­taal. Er komt immers geen leven meer uit de schep­ping. Het ontwikkelt zich niet meer. Het veg­e­teert als het ware: het bestaat nog wel, maar leeft (groeit en ontwikkelt) niet. De schep­ping ligt in coma. Het is vruchteloos. In dat opzicht is het maar goed dat de buidel bij het ver­laten van de hof van Eden goed gevuld was. Opval­lend is echter, dat zelfs de ongelovige mens beseft, dat er een einde aan alles is. Dat komt omdat de grote opdracht om voor de schep­ping te zor­gen ook bij die mens in zijn genen zit. De belofte is echter, dat op enig moment de schep­ping van de vruchteloosheid zal wor­den bevrijd. Dat komt omdat ..
  • .. God zich op geen enkele manier van zijn plan laat afbren­gen. Zijn plan is de mens en de schep­ping weer terug­bren­gen in de oor­spronke­lijke sta­tus. Uitein­delijk zal de mens weer kun­nen wan­de­len met God in de avond­koelte in een her­stelde, en dus vrucht­bare, schep­ping. Dat het op dit moment nog niet zo ver is, moge duidelijk zijn. Let er wel op, dat we hier niet spreken over een God, die op wraak zint of op de één of andere manier een genoeg­doen­ing zoekt. Voor nu, vol­staat de con­clusie dat God de mens als het ware aan zichzelf heeft overge­laten, maar dan wel als Iemand die al weet waar het op uit draait en daarom Zijn voor­zorgs­maa­trege­len, het red­dings­plan, voorbereidt.

De lijn in de geschiedenis

Zoals gezegd, kijken wij terug. Niet vanuit het einde, maar vanuit een punt ergens onder­weg. We kun­nen zien wat er achter ons ligt; wat voor ons ligt is aangezegd, maar nog geen realiteit.

Inmid­dels is het vol­gende in de geschiede­nis aan te wijzen.

  • De mens is in aan­tal toegenomen.
  • God heeft een groep mensen gekozen, waarmee Hij zijn plan verder heeft ontwikkeld.
  • Uit die groep mensen is DE Mens voortgekomen
  • Via die Mens zijn alle mensen uitgen­odigd om deel te hebben aan het plan van God. Dit is de peri­ode waarin we ons op dit moment bevinden.

Ver­vol­gens staat het vol­gende er nog aan te komen:

  • Het volk dat zich achter die ene Mens ver­gadert neemt in kracht en omvang toe.
  • Dat volk, bestaande uit zonen Gods, zal de schep­ping gaan herstellen.
  • De sit­u­atie wordt weer zoals die was in de hof van Eden

Wat is het verschil?

Uit­er­aard gaan we in de hier­voor genoemde opsom­min­gen op twee wie­len (en dus veel te kort) door de bocht. Er vindt natu­urlijk nog veel meer plaats. Maar globaal zijn de pun­ten als genoemd wel de mijl­palen. In tijd gerek­end zien we tussen de diverse pun­ten vele hon­der­den, zo niet, duizen­den jaren. Het ver­schil tussen het begin en het voort­durende einde is, dat er een mens is, die uit volle over­tuig­ing heeft gekozen voor de heer­schap­pij van God. God is op dat moment in de mens ver­heer­lijkt en zal Zich voort­durend verheerlijken.

In de vol­gende delen van deze artike­lenserie zullen we het verder uitwerken. Ook zullen we diverse andere markante pun­ten benoe­men en uit­leggen. Ik ver­moed echter, dat ook in deze serie het laat­ste woord niet zal wor­den gespro­ken. Het zal ook voor velen en wellicht ook voor mij, het karak­ter hebben van een ont­dekkingstocht. Tussendoor zullen er ook aan­vul­lende artike­len wor­den geschreven om spec­i­fieke zaken nader te bespreken.

Wan­neer we er mee klaar zijn, is niet te zeggen. Wellicht komen we er niet eens mee klaar. Nog altijd wordt er in de kerk over bepaalde principes gedis­cussieerd. Het gaat dan om zaken, die alle­maal tij­dens de ontwik­kel­ing van Gods plan, tot op heden, zijn ontstaan. Dat heeft te maken met het feit, dat de gelovige mens het alle­maal nog niet helder ziet. Nog altijd ziet hij het als door een spiegel, in raad­se­len en is hij aangewezen op beelden en omschri­jvin­gen. Zijn inter­pre­tatie is nog niet volkomen, zeg maar. Ook dat is nog altijd het gevolg van de erfzonde.

Religieuze onder­w­er­pen als Israël, de doop, besni­j­de­nis, de wet, de god­delijkheid van Jezus, was God alleen of met z’n tweeën, de drie-eenheid, de ware kerk, het ware geloof enz. zullen zo uitvo­erig als maar nodig is, wor­den besproken.

Het zal duidelijk zijn, dat een inbreng van de lez­ers meer dan op prijs wordt gesteld. Alle serieuze vra­gen zullen wor­den beant­wo­ord. Ik hoop dan ook dat het er velen zullen zijn.

This entry was posted in Hoe zit 't met ...?, Theologie. Bookmark the permalink.

Geef een reactie