Wegen en Kruispunten (Inleiding)

Inlei­d­ing

Waar zullen we starten?

Soms weet je dan nog niet waarheen…

Het is een onmisken­baar feit, dat de stuk­jes op deze web­site niet snel door joden gelezen wor­den. Dat heeft twee rede­nen: ik ben zelf een niet-jood. Je zou ook kun­nen zeggen: een hei­den. Joden hebben in feite de opdracht meegekre­gen, zich niet met hei­de­nen in te laten. Dus lezen wat een hei­den op papier zet, is op zich not done.

De tweede reden is het onder­w­erp waar ik over schrijf: De Schrift en haar bood­schap. Het is voor een jood ondenkbaar, dat een hei­den iets zou kun­nen toevoe­gen aan wat een jood van de Schrift weet. Hij is van zijn prille jeugd aan opgevoed in de Schriften. (ik schrijf nu meer­voud, omdat de bij­bel, uit­er­aard voor de jood: het oude tes­ta­ment, bestaat uit geschriften.)


De jood, en dan bedoel ik niet een Israëliër, want dat is gewoon een inwoner van het staatje Israël, is een mens die uit één van de twaalf stam­men van Israël is voort­gekomen. Hij is besne­den en is onder­wezen in de Thora, de wet, en houdt zich daar ook aan.

Een Israëliet is dan wel een afs­tam­mel­ing van één van de twaalf zonen van Jacob (die op enig moment de naam Israël kreeg), maar is niet per defin­i­tie een jood. Dat onder­scheid werd in de dagen van Jezus al gemaakt.

Maar, zoals gezegd, de jood is onder­wezen. Hij is bek­end met de wet en alle gebo­den en tra­cht zich daar ook aan te houden. Het ligt dus voor de hand, dat hij niet veel vertrouwen heeft in de inter­pre­taties van de Schriften, die door de hei­den (de niet-jood, dus) wordt gegeven.

Ik kan me dat ook wel voorstellen, want wat de jood in zijn hele leven leert en eigen maakt, kan de hei­den natu­urlijk niet inhalen. Het heeft te maken met denkpa­tro­nen, lev­en­shoudin­gen en uit­gangspun­ten. Die veran­der je niet zomaar.

Wat wil ik nu met dit alles zeggen?

In elk geval dat we niet de arro­gantie zullen hebben om de jood voor de voeten te lopen. Uit­er­aard kun­nen we wel in gesprek raken, maar dan niet op het ter­rein waar hij als het ware heer en meester is: het oude tes­ta­ment. Ik wil ook niet de indruk wekken, dat ik het, als hei­den, beter weet dan hij.

We kun­nen over het oude tes­ta­ment spreken, wan­neer hij er het ini­ti­atief toe neemt. Voor het gesprek over het nieuwe tes­ta­ment, ben ik echter de ini­ti­atiefne­mer. Dat is namelijk als eerste voor de hei­den geschreven. Weliswaar voor het groot­ste gedeelte door joden, maar die hebben juist de hei­den op het oog.

Deze joden schri­jven hun vingers blauw om ons, hei­de­nen, vanuit de Schriften duidelijk te maken, dat het evan­gelie voor iedereen bedoeld is. Ze kijken naar de gebeurtenis­sen, die in hun dagen plaatsvin­den en spiege­len die als het ware aan de geschriften, die ze, als jood, door en door kennen.

Met andere woor­den: we laten ons als hei­de­nen op een zeer effi­ciënte wijze voor­lichten door hen, de joden, die weten waar het nu echt over gaat. Effi­ciënt, omdat zij uit het oude tes­ta­ment tonen wat voor ons van belang is. De toegevoegde waarde, de extra’s en de uit­leg die we uit de Schriften kun­nen dis­tilleren, laat men liggen voor later. Deze joden, die deel uit­maken van het nieuwe ver­bond, wor­den overi­gens door de joden die alleen nog deel uit­maken van het oude ver­bond, niet voor vol aangezien. In hun ogen zijn deze “nieuwe” joden juist afval­li­gen, die dus aan hei­de­nen gelijk staan. Zij hebben in de ogen van de tra­di­tionele jood, door het geloof in Jezus Chris­tus hun fun­da­menten verloochend.

Door dit alles komt Jezus Chris­tus als vanzelf vooraan te staan. Om Hem gaat het in het nieuwe ver­bond. (een ver­bond is overi­gens iets anders dan een tes­ta­ment; daar kom ik later nog op terug.) Jezus is de spli­jtzwam die de onover­brug­bare kloof veroorza­akt tussen het oude – en het nieuwe verbond.

Het nieuwe testament

Als uit­gangspunt nemen we dus het nieuwe tes­ta­ment. Daarin wordt ver­haald van de instelling van het nieuwe ver­bond. We starten dus ook bij Jezus Chris­tus. We laten ons informeren door de joden, die in de geschriften van het nieuwe tes­ta­ment, de sluier oplichten.

Vanuit de ken­nis die we daar opdoen, zullen we ook in staat zijn om de beteke­nis van het oude ver­bond op waarde te schat­ten. Omge­keerd lijkt me niet zin­vol, omdat we een­voudig te weinig tijd hebben. Als eerder aangegeven heeft de jood er zijn hele leven over gedaan om op het punt te komen waar wij, als hei­den, instappen.

Onder­s­te­un­ing van de Heilige Geest

We moeten echter niet denken, dat we op eigen kracht die enorme inhaal­slag kun­nen maken. Intel­lect of tijd heeft er niets mee van doen. Het is geen kwestie van ploeteren in de geschriften om aan het eind van de dag te con­stateren, dat we nog niet eens onder­weg zijn. De Enige die ons kan helpen om bin­nen de ons gegeven tijd te door­gron­den waar het op aankomt, is de Heilige Geest.

Het gaat dan nog niet eens zozeer om de omvang, dan wel om het juiste inzicht. De Heilige Geest laat hemelse licht op onze onder­w­er­pen schi­j­nen, zodat we de din­gen op de goede manier kun­nen ver­staan en toepassen. We lopen anders het gevaar intellect-gelovigen te wor­den. Het toepassen van de ont­dekte waarheid zal op eigen kracht geschieden. En dat is nu juist niet wat God wil. Hij is het die het willen en het werken in ons bew­erkt. Met andere woor­den: wij mogen rusten in het vol­brachte werk van Jezus en ver­vol­gens Hem de ruimte geven om ook in ons de Chris­tus te openbaren.

Voor een juist ver­staan van de Schrift is de Heilige Geest dus onont­beer­lijk. Zon­der Hem kun­nen we ons in aller­lei bochten wrin­gen, maar zullen we op zeker moment con­clud­eren, dat we de jood nog niet in het zicht hebben gekre­gen. Van de Heilige Geest staat geschreven, dat Hij ons alles te bin­nen zal bren­gen. Wat dit “alles” pre­cies is, wordt nog duidelijk. Op dit moment is het vol­doende om te weten, dat we hulp kri­j­gen. Hulp van boven, zogezegd.

Maar de Heilige Geest is nog voor een ander aspect onmis­baar. Het punt is dat de mens die leest, ook bereid moet zijn de con­se­quen­ties van wat hij te weten komt, te aan­vaar­den. Dat heeft alles te maken met de wil om gehoorzaam te zijn. Daar kom je niet zomaar. Het afzien van jezelf en erken­nen, dat je het op eigen kracht niet bereikt, is iets dat we maar lastig onder de knie kri­j­gen. Het is een gevolg van de zon­de­val. Maar ook daar komt de Heilige Geest te hulp.

Het betekent echter wel, dat de lezer die in zijn hart nog altijd het idee heeft zelf best wel in staat te zijn z’n eigen boon­t­jes te doppen, er gewoon niets van snapt. Voor hem zal alles dat wordt bespro­ken, in gelijkenis­sen tot hem komen: hij zal het niet kun­nen door­gron­den. Voor hem zal het op het niveau van de wet bli­jven. Hij zal de regel tra­chten op te vol­gen, maar een harten­zaak zal het niet wor­den. Ondanks de moeite die hij doet om het te door­gron­den; hij zal een buiten­staan­der bli­jven, die door een besla­gen ruit naar bin­nen kijkt.

Overi­gens geldt dit ook voor de jood. Ook deze bli­jft een buiten­staan­der bij het lezen van zijn eigen Geschriften, als hij God niet de gele­gen­heid geeft hem Zijn Zoon te open­baren. Paulus geeft ergens aan, dat er bij het voor­lezen op de Schrift een sluier ligt: die wordt alleen wegge­haald als de toe­ho­order zich bekeert tot Jezus Chris­tus. Dus uitein­delijk is er voor de jood, als ook voor de hei­den, maar één mogelijkheid om volledige toe­gang te kri­j­gen tot het Koninkrijk Gods: geloven in de Naam van Jezus Christus.

This entry was posted in Christendom, Kernwaarden, Theologie. Bookmark the permalink.

Geef een reactie