Wegen en Kruispunten (Jezus Christus) 2

De wereld

Vanaf hier zie je nog maar een gedeelte: God ziet alles. Dus bek­ijkt God het van een andere kant.

Vanuit bij­bels stand­punt betekent “wereld” iets anders dan die bol die op een bepaalde afs­tand van de zon zijn rond­jes maakt. De wereld is een aan­duid­ing van een manier van denken enerz­i­jds en een (geestelijke) sit­u­atie anderz­i­jds. Toen Adam en Eva uit de hof wer­den geplaatst, kwa­men ze niet terecht op een andere wereld. Ik twi­jfel er zelfs over of de (ver)plaatsing wel fysiek was. Maar dat terzijde.

Wezen­lijk gaat het er om, dat ze in hun denkw­ereld buiten de directe tegen­wo­ordigheid van God wer­den geplaatst. Dat is ook de reden voor de opmerk­ing dat ze “zouden ster­ven”. Het leven, het Licht, vindt zijn oor­sprong in God. Als de mens zichzelf, door een keuze, buiten Gods invloedss­feer stelt, heeft dat onafwend­baar een geestelijk ster­ven tot gevolg. Vluchten uit de nabi­jheid van God is natu­urlijk niet mogelijk. Er is geen plek te vin­den, waar God niet zou zijn. Hij is, zogezegd, alomtegenwoordig.


Je zou kun­nen zeggen, dat de mens God de rug toe­keerde. Het was niet omge­keerd. Met andere woor­den: de mens zag God niet meer, maar Hij was er nog wel. En Hij hield (houdt) de boel steeds nauwgezet in de gaten. De engel met het vlam­mende zwaard, die de terug­keer naar de hof van Eden blok­keert, sym­bol­iseert de onover­brug­bare kloof die is ontstaan tussen de mens en God. De onover­brug­baarheid geldt echter alleen vanuit de mens richt­ing God. Door de zon­de­val is een blokkade ontstaan vanuit de mens richt­ing God.

Het wereldse denken is der­halve een denken, dat geen (of in elk geval: niet op de juiste manier) reken­ing houdt met God. Het kan dat ook niet, omdat God voor wereldse ogen niet te zien – , voor wereldse oren niet te horen – en voor wereldse denkers niet te ervaren is.

Elk mens beseft, of weet in zijn geest, dat er ooit een draai heeft plaats­gevon­den. Ten­min­ste dege­nen die er over na willen denken, realis­eren zich dat. Daarom staat er in het eerste hoofd­stuk van het evan­gelie naar Johannes, dat de “wereld Hem niet erk­ende”. Ieder mens weet dat er in een grijs verleden, een ver­wi­jder­ing in het hart (het wezensken­merk van de mens) heeft plaatsgevonden.

En ondanks dat de mens niet meer weet hoe het er uit zag, herkent men het direct wan­neer het zich aan­di­ent. Dat komt omdat de zonde in het hart van de mens het ver­lan­gen heeft neergelegd, om het alle­maal zelf uit te zoeken en onder con­t­role te houden. En dat is weer het gevolg van een col­lec­tief en chro­nis­che wantrouwen, waar­door we ons vertrouwen niet op iemand anders kun­nen stellen dan onszelf. We willen zelf de con­t­role houden, over welke sit­u­atie dan ook.

Er is echter een cat­e­gorie mensen, die beseft dat hun heil en hun bestem­ming niet in de wereld te vin­den is. Zoals hier­voor is aangegeven, weten ze echter ook niet waar ze het dan wel kun­nen vin­den. Hier­voor is hulp nodig. Externe hulp. En die hulp komt van Hem, die zich nog altijd achter de rug van de mens bevindt, zon­der dat ze dit in de gaten hebben.

Gezind­heid is als een bron die iets voortbrengt

Zoals bek­end is er een geestelijke – en een niet-geestelijke wereld. Niet-geestelijk is gelijk aan natu­urlijk. De natu­urlijke wereld is dat wat we met onze zin­tu­igen kun­nen ervaren. Op zich is dat neu­traal terrein.

Over het alge­meen kun­nen we zeggen, dat de mensen in de wereld een niet-geestelijke gezind­heid hebben. De bij­bel spreekt in dit ver­band over: een vle­selijke gezind­heid. De vle­selijke mens houdt alleen reken­ing met zichzelf. Hij is ego­cen­trisch. Dat zijn ook dege­nen die het Licht niet accepteren, alhoewel ze het wel (kun­nen) zien en gewoon hun eigen gang gaan.

Er is even­wel een cat­e­gorie die het Licht wel aan­nemen. Zij zijn zich bewust van hun eigen teko­rtkomin­gen en zijn bereid om hun leven door God te laten lei­den. Zij kri­j­gen macht om zich te ontwikke­len als kinderen van God. En om het nog wat scher­per te stellen: zij zijn het die in zijn naam geloven. Dat wil zeggen: ze erken­nen de autoriteit van God. De mensen met een vle­selijke of wereldse gezind­heid zullen niet in de naam van God geloven.

Johannes 1:13 die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

Het wordt door Johannes benadrukt: Het vlees brengt deze kinderen Gods niet voort. Alleen ver­ant­wo­ordelijk daar­voor is God.

Johannes 1:14 Het Woord is vlees gewor­den en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heer­lijkheid aan­schouwd, een heer­lijkheid als van de enigge­borene des Vaders, vol van genade en waarheid.

De god­delijke mens open­baart zich

Nu wordt Johannes con­creet en richt hij de aan­dacht op de Mens, Jezus. Nadat hij eerst uiteen heeft gezet, dat de uit God geboren mens, het kind Gods, al van voor de grond­leg­ging van de schep­ping in de gedachte van God was, stelt hij nu dat het eerste exem­plaar (het pro­to­type: de enigge­borene van de Vader) “onder ons heeft gewoond”.

Hij getu­igt, dat God de Vader in deze Mens tot zijn doel was gekomen: ver­heer­lijkt. Hij heeft het aan­schouwd, met andere woor­den: Jezus heeft er van getu­igd. En Johannes zag dat Hij vol was van genade en waarheid.

Johannes 1:15 – 18 Johannes heeft van Hem getu­igd en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geweest, want Hij was eer dan ik. Immers uit zijn vol­heid hebben wij allen ont­van­gen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Chris­tus gekomen. Nie­mand heeft ooit God gezien; de enigge­boren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen.

In dit eerste hoofd­stuk geeft Johannes zijn lez­ers een beknopt maar volledig overzicht van Gods plan­nen en de wijze waarop ze wor­den uitgewerkt.

Als eerste is daar het getu­ige­nis van Johannes de Doper. Hij geeft aan, dat de Mens eerder was dan hij. Dat het hier niet gaat over een tijds­bepal­ing, maar om een kwaliteit­saan­duid­ing, wordt duidelijk uit het vers 16. Hier wordt gezegd, dat “wij allen uit zijn vol­heid hebben ont­van­gen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Chris­tus gekomen”.

De onvolkomen wet

Hier wordt de posi­tie van Johannes vergeleken met die van Mozes, die de wet gaf. Mozes was voor het joodse volk de meest belan­grijke per­soon van het oude ver­bond. Hij heeft het volk met de wet als het ware hun iden­titeit gegeven. Het naleven van de wet, bepaalde de posi­tie van het joodse volk ten opzichte van de rest van de wereld. De wet was dan ook niet voor ieder mens, maar alleen voor het joodse volk. Op dit principe komen we nog terug, als we de wet behandelen.

De wet is echter ondergeschikt aan Degene die de waarheid en genade kwam bren­gen. Later zullen we zien, dat ook de andere schri­jvers in het nieuwe tes­ta­ment, dezelfde mening zijn toegedaan. De wet bracht geen genade, maar vero­ordel­ing. De wet toonde dan ook de Vader niet, want ook Deze is vol van genade en waarheid.

Jezus Chris­tus, de Gezalfde Gods, heeft echter de Vader geopen­baard. Met name door de heer­lijkheid van God te weer­spiege­len in zijn han­del en wan­del. Je kunt God vergelijken met licht. Het licht zelf kun je niet zien; je ziet echter wel het resul­taat van de aan­wezigheid van licht als het ergens op valt. Jezus reflecteert God, zoals een voor­w­erp licht reflecteert. Beter nog is het om Jezus voor te stellen als doorzichtig en helder (ongek­leurd) glas; de vorm en omvang ervan wordt pas zicht­baar als er licht doorheen schi­jnt. Zon­der het licht zie je het glazen voor­w­erp niet. Dat laat­ste geldt overi­gens voor elk voor­w­erp, maar dat terzijde.

God had het in het leven van Jezus voor het zeggen; Hij deed niets buiten God om. Het was de gezind­heid van Jezus waar­door Hij volkomen gehoorzaam kon zijn aan God. Hij bevond zich aan de boezem (intiemer kan niet) van de Vader. Het is deze ver­heer­lijk­ing van God die we in Jezus gestalte zien kri­j­gen. Je kunt uit de relatie tussen Jezus en de Vader con­clud­eren: hoe intiemer hoe groter de verheerlijking.

In feite was dus het ver­schil tussen Jezus en God niet te zien of op een andere manier te ervaren. Wie Mij ziet, zegt Jezus, ziet de Vader. Het is dus onmo­gelijk om naar Jezus te kijken en dan te con­clud­eren, dat God streng en hard­vochtig of wraakzuchtig is. Zo kwam de wet wel over, ten­min­ste bij hen die de achter­grond van de wet niet kenden. Van­daar dat er vanuit de wet ook niet wordt gespro­ken over genade en waarheid. De wet gaf in zijn beste uitvo­er­ing hoo­guit een vertek­end beeld van God. De waarheid wordt niet vertek­end, maar puur en volledig getoond in Jezus.

(wordt ver­volgd)

This entry was posted in Christendom, Kernwaarden, Theologie. Bookmark the permalink.

One Response to Wegen en Kruispunten (Jezus Christus) 2

  1. hetvisje says:

    Hallo Jur­riën,
    In één van mijn bij­bel­stud­ies (De gevol­gen van de zon­de­val) raak ik diverse pun­ten die jij hier noemt ook aan. Alleen met een andere insteek.
    Ik ben zeer benieuwd wat je ervan vind. Mocht je tijd hebben om het te lezen en te rea­geren: de studie is te vin­den op http://www.samenlerendoenwatjezusdeed.nl/bijbelstudies.html

Geef een reactie