Wegen en Kruispunten (Jezus Christus) 4

De aan­loop naar de geboorte van Jezus

Gustave Dore: De profeet Baruch

Gus­tave Dore: De pro­feet Baruch

In de geschiede­nis is veel gespro­ken over de komst van Jezus. Niet alleen werd Zijn komst voor­speld, maar ook aller­lei sit­u­aties en omstandighe­den wer­den van te voren bek­end gemaakt. Het ging hier niet alleen om een getu­ige­nis, zodat de mensen die bij het moment betrokken zouden zijn, de pro­fetie zouden herken­nen, maar ook is er van alles vast­gelegd, zodat Jezus zelf van Zijn bestem­ming ken­nis zou kun­nen nemen.

Maar ook, en het is belan­grijk om dit te noe­men, zouden de mensen om Hem heen, Jezus onder­s­te­unen in het gaan van Zijn weg. Dus het­geen God al in de loop van de eeuwen had laten vast­leggen in de Schriften, had meerdere doelen.

In feite spreken we hier over het Gemeente-principe. De Gemeente is dan de kweekvi­jver waar de kiem wordt gelegd voor een heel ges­lacht: het principe van moeder en kind is er in zicht­baar. Vanaf het begin van de schep­ping is God ges­tart met het for­meren van een veilige omgev­ing, waarbin­nen Hij uitein­delijk zijn plan zou realis­eren. Van belang is te besef­fen, dat dit plan er niet zomaar tussendoor kwam, omdat de mens in zonde was gevallen. In tegen­deel: de keuze van de mens, de zon­de­val, het bouwen van de veilige omgev­ing en de komst van Jezus Chris­tus, was alle­maal al begrepen in het plan van God.

De rest of het overblijfsel

Als zodanig kun­nen we de groep mensen, die in de loop van de eeuwen hun hoop en verwacht­ing op de realis­er­ing van het plan van God had­den gesteld, zien als de Gemeente. Later heet deze groep “de rest”. Jesaja, een pro­feet uit het oude tes­ta­ment, gebruikt met name deze term, als hij een onder­scheid wil maken tussen het algemene volk Israël en de gelovige kern. Opval­lend is dat Jesaja in dit ver­band ook spreekt over de jonkvrouw die geen nages­lacht heeft gezien; die nog maagd is. Later kom ik hier uit­ge­breid op terug als we gaan spreken over het ver­schil tussen het algemene (lees: ongelovige = wereldse) Israël en de gemeente.

Op dit moment wil ik de aan­dacht ves­ti­gen op een aan­tal voorteke­nen die wer­den vervuld met de geboorte van Jezus. Dit alles komt uit­ge­breid ter sprake in, onder andere, het record van Jezus’ komst in deze wereld, zoals dit is vast­gelegd in het evan­gelie dat door Lucas is geschreven. Hij is gelet­terd (hij is arts) en hij spreekt (schri­jft) Grieks. Lucas is geen jood. Waarschi­jn­lijk zal hij om deze reden ook zo’n uit­ge­breid ver­slag schri­jven over de geboorte van Jezus, omdat hij weet, dat de hei­den nog maar weinig achter­grond­in­for­matie heeft over de Hoofd­per­soon in zijn evan­gelie. Ook is de hei­den natu­urlijk niet op de hoogte van alles dat te vin­den is in de (joodse) geschriften en daarom veel hoe en waaroms uit de doeken doet.

Lukas begint met de moti­vatie voor het schri­jven van zijn verslag:

Lukas 1:1 Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een ver­slag te schri­jven over de gebeurtenis­sen die zich in ons mid­den hebben voltrokken, en die ons zijn overgeleverd door dege­nen die vanaf het begin oogge­tu­igen zijn geweest en dien­aren van het Woord zijn gewor­den, leek het ook mij goed om alles van de aan­vang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenis­sen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte The­ofilus, op schrift te stellen, om u te over­tu­igen van de betrouw­baarheid van de zaken waarin u onder­richt bent.

We moeten niet ver­geten, dat op het moment dat Lukas zijn evan­gelie op papier zet, nog veel oogge­tu­igen van de gebeurtenis­sen in Israël aan­wezig zijn. Het geeft dan ook een indruk van een recht­bankver­slag. De geloofwaardigheid neemt voor de hei­den, die het ver­slag later leest alleen maar toe. Vooral omdat Lukas geen jood is en dus geen reden heeft om de zaken anders voor te stellen, dan ze werke­lijk hebben plaatsgevonden.

Johannes de Doper

Het ver­haal ver­volgt met een aan­loop naar de geboorte van Johannes de Doper. Deze hebben we al kort ter sprake gebracht in onze behan­del­ing van de eerste verzen in het evan­gelie naar Johannes. Johannes de Doper is van belang, omdat zijn aan­wezigheid samen met die van de mes­sias wordt aangekondigd in de vroegere geschriften. Dit alles maakt het prak­tisch onmo­gelijk om Lukas te beschuldigen van inlegkunde; dat is de prak­tijk in de (oud­ere) tekst inlezen en als zodanig een omge­keerde bewi­js­last formeren.

Als een goede advo­caat legt Lukas het ene feit naast het andere om de lezer in de gele­gen­heid te stellen, zelf con­clusies te trekken. Ner­gens loopt hij de lezer voor de voeten door zijn eigen inter­pre­tatie (of con­clusies) in zijn ver­slag mee te schri­jven. Voor ons is ver­vol­gens van belang wat er tegen de vader van Johannes wordt gezegd.

Als de vader van Johannes, die uit­geloot is voor de pries­ter­di­enst, zijn plichten in de tem­pel vervult, spreekt de engel Gabriël hem aan en verkondigt hem de geboorte van Johannes. Nadat de engel enige inlei­dende opmerkin­gen heeft gemaakt, ver­volgt hij:

Lukas 1:16 – 17 en velen der kinderen Israels zal hij bek­eren tot de Here, hun God. En hij zal voor zijn aangezicht uit­gaan … , ten einde voor de Here een wel­toegerust volk te bereiden.

Hier zien we de kern­taak van Johannes. Zijn taak is het “in de goede richt­ing zetten van vele neuzen”. Johannes was een weg­berei­der. Een her­aut, die de komst van de Kon­ing aankondigt. Als Zacharias van het grote nieuws op de hoogte is gesteld, wordt Elis­a­beth, zijn vrouw inder­daad zwanger. Dit is een won­der, want Elis­a­beth en Zacharias zijn al op leeftijd en Elis­a­beth is onvrucht­baar. Merk op, dat de naam van de engel bek­end is (hij stelt zich zelf als zodanig voor). Vanuit de Schrift weten we nog van een andere engel, Michaël. Ik meen uit de Schrift te kun­nen her­lei­den, dat Gabriël spec­i­fiek de zaken aan­gaande Jezus Chris­tus behar­tigt en dat Michaël spec­i­fiek is toegewezen aan de gemeente. Maar dat terzijde.

De engel Gabriël

Als de vrucht in de schoot van Elis­a­beth 6 maan­den oud is, ver­schi­jnt Gabriël, aan een andere, dit­maal jonge (maagdelijke) vrouw, Maria. Ook bij haar verkondigt de engel een ingri­jpende boodschap:

Lukas 1: 30 – 33 En de engel zeide tot haar: Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt genade gevon­den bij God. En zie, gij zult zwanger wor­den en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Aller­hoog­sten genoemd wor­den, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als kon­ing over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn kon­ingschap zal geen einde nemen.

Ook hier wordt de toon gezet: wat hier aanstaande is, zal geschiede­nis schri­jven. Jozef is van de stam Juda. Maria, Elis­a­beth en Zacharias zijn van de stam Levi. Van hen allen staat geschreven, dat ze “leef­den naar alle gebo­den en eisen des Heren, onberispelijk”. Zij waren dus op de hoogte van wat de Schrift pro­fe­teerde aan­gaande de komende Koning.

Ik kan me voorstellen, dat het meisje Maria ste­vig onder de indruk was, dat zij uitverko­ren was om de Kon­ing te baren, waar­van bek­end was dat zijn Kon­ingschap geen einde zou nemen. Opval­lend is, dat Maria zich niet eens zozeer over de woor­den van de engel op zich ver­baasd, maar dat ze zich afvraagt hoe dat alles zal wor­den gere­aliseerd; zij is immers nog maagd. Merk ook op, dat Maria en Elis­a­beth fam­i­lie van elkaar waren. Ze stam­den dus bei­den uit het ges­lacht van Aaron. Jozef daar­ente­gen stamt uit de stam Juda en is een fam­i­lielid van David. Maar Jozef heeft prak­tisch gezien niets met de geboorte van Jezus te maken.

Geen lijfe­lijke zoon van David

De relatie die Jezus heeft met David is figu­urlijk en niet let­ter­lijk. Dat wordt ook beves­tigd door de engel die zegt: “De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Aller­hoog­sten zal u over­schaduwen; daarom zal ook het heilige, dat ver­wekt wordt, Zoon Gods genoemd wor­den”.

Uitein­delijk gaat het dus om het­geen Wie Jezus verte­gen­wo­ordigt en wordt het een kwestie van geloof voor dege­nen die Hem ont­moeten. De engel zegt immers: “genoemd wor­den” en niet: “zijn”. Dat betekent, dat Jezus zichzelf dus niet de waardigheid toekent, maar dat anderen dat in feite doen.

Om deze reden zegt Jezus ook nooit dat Hij de Zoon van God is. Hij doet wel toe­spelin­gen op Zijn sta­tus, maar inhoudelijk is Hij zeer beschei­den. Later, na de opstand­ing uit de doden zal Paulus schri­jven: “.. is Hij verk­laard Gods Zoon te zijn in kracht”. Na de opstand­ing wordt Jezus dan ook Kon­ing genoemd.

Voor Maria is het echter geheel duidelijk en nadat de engel ook nog heeft gezegd, dat Elis­a­beth al in haar zesde maand is, pakt ze haar biezen en vertrekt naar een stadje in Juda. Als ze ver­vol­gens Elis­a­beth ont­moet, pro­fe­teert ze over de toekomst van Israël:

Lukas 1:47 – 49 En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot de Here, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Hei­land, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat zijner dien­st­maagd. Want zie, van nu aan zullen mij zalig pri­jzen alle ges­lachten, omdat grote din­gen aan mij gedaan heeft de Machtige.

Maria is zich bewust van de zwaarte van haar taak. En dan pro­fe­teert zij, aanger­aakt door Gods geest:

Lukas 1:51 – 55 En heilig is zijn naam, en zijn barmhar­tigheid van ges­lacht tot ges­lacht voor wie Hem vrezen. Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijn arm, en Hij heeft hoog­moedi­gen in de over­leg­ging huns harten ver­strooid; Hij heeft machti­gen van de troon gestort en een­voudi­gen ver­hoogd, hon­geri­gen heeft Hij met goed­eren vervuld en rijken heeft Hij ledig wegge­zon­den. Hij heeft Zich Israël, zijn knecht, aangetrokken, om te gedenken aan barmhar­tigheid, (gelijk Hij gespro­ken heeft tot onze vaderen) voor Abra­ham en zijn nages­lacht in eeuwigheid.

Deze bemoedigin­gen bewaarde Maria in haar hart. Zo kon zij, al voor­dat haar vrucht vol­groeid was, zich al voor­berei­den op wat aanstaande was. God liet niets aan het toe­val over en berei­dde de weg. Vele mensen om Jezus heen, waren zich bewust van wat God door deze mens tot stand wilde bren­gen. En zo hielpen ze mee, om het kader te vor­men, waarbin­nen de Zoon van God tot zijn doel zou komen.

We keren nog even terug naar Zacharias, de vader van Johannes de Doper. Ook hij pro­fe­teert over de zoon van David. Let er op, dat Jezus con­creet gespro­ken niet van David afs­tamt. Zacharias weet dit waarschi­jn­lijk niet (de engel heeft hem, voor zover ons bek­end, niet geopen­baard dat wat in Maria ver­wekt, van de Heilige Geest is en dus niet van Jozef). Dat benadrukt eens te meer, dat de afs­tam­ming van Jezus meer geestelijk dan let­ter­lijk is te verstaan.

Lukas 1: 68 – 71 Prijs de Here, de God van Israël. Hij heeft Zijn volk bezocht en gered. Hij heeft ons een machtige Red­der ges­tu­urd uit het ges­lacht van Zijn dien­aar David, zoals Hij lang gele­den door Zijn heilige pro­feten had beloofd. Hij heeft ons iemand ges­tu­urd die ons zal red­den uit de han­den van onze vijan­den, van allen die ons haten.

Geen bevri­jd­ing van de Romeinen

Hier spreekt Zacharias niet van de Romeinen die het volk Israël op dat moment in zekere zin in gijzel­ing had­den. Het volk was vele malen in gevan­gen­schap geweest en de sit­u­atie op dit moment was niet zo zwaar, als die wel eerder was geweest. De machtige red­der, die wordt beloofd, kwam dus zeker niet om Israël te bevri­j­den van de Romeinen. Hieruit volgt dus ook, dat de belofte niet let­ter­lijk in vervulling ging. Tevens valt het op, dat Zacharias op dit moment, dus voor­dat Jezus nog geboren is, al spreekt over een bezocht – en gered zijn. Met andere woor­den: voor Zacharias is de geboorte van Johannes het teken, dat God in beweg­ing is gekomen. Hij twi­jfelt nu niet meer aan de uitkomst. Later, als we spreken over de posi­tie van Israël in relatie tot de komst van Jezus, komen we terug op wat Zacharias nu uitspreekt:

Lukas 1: 72 – 75 Hij is goed voor onze vooroud­ers geweest. Hij heeft Zijn plechtige belofte aan Abra­ham niet ver­geten. Hij heeft ons het voor­recht gegeven Hem te dienen zon­der angst, bevrijd uit de han­den van onze vijan­den. Wij mogen bij Hem horen en doen wat Hij zegt, heel ons leven lang.

Ook hier spreekt Zacharias over Jezus, alsof het alle­maal al heeft plaats­gevon­den. Hij kop­pelt de belofte aan de vaderen onom­won­den aan de komst van Jezus. Voor hem is het duidelijk. God heeft in het verre verleden een belofte gedaan en nu heeft God die belofte tot stand gebracht. Maar God heeft ook nog iets over Johannes te zeggen:

Lukas 1: 76 – 79 En jij, kind, jij zult een pro­feet van de Aller­hoog­ste God wor­den genoemd. Jij zult voor de Red­der uit­gaan om Zijn volk voor te berei­den op Zijn komst. Jij zult hun vertellen dat zij gered kun­nen wor­den door de vergev­ing van hun zon­den. Want het hart van onze God loopt over van liefde en goed­heid. Een hemels licht zal op ons schi­j­nen, zodat de mensen die in het donker en de schaduw van de dood zit­ten, weer kun­nen zien en wij op de weg van de vrede wor­den gebracht.

En zo wordt ook Johannes in de belofte ingekaderd. Dit is van belang. Want ook Elis­a­beth en Zacharias weten nu dat ze hun zoon moeten begelei­den en sturen op zijn weg. Zon­der al deze woor­den van de engel en zon­der de woor­den van de pro­fetie, had het leven van Johannes miss­chien wel heel anders gelopen.

(wordt ver­volgd)

Laat een reactie achter