Andere samenleving; andere christenen (4)
2010
Christen-zijn is niet spectaculair (deel 1)
Bezigheid als therapie
We leven in een samenleving waar visualisatie het toverwoord is. We willen alles zien. Een plaatje zegt oneindig veel meer dan woorden. Maar niet alleen visueel. We zijn meer dan ooit zintuiglijk ingesteld. Dat wil zeggen, dat we het willen zien, horen, ruiken, proeven en voelen.
Anders gezegd: we willen beleven. Meer dan de Romeinen rond het begin van onze jaartelling, zijn we gericht op brood en spelen.
Op zich is dat niet vreemd. Over het algemeen heeft de westerse mens zijn schaapjes op het droge en is er vermaak nodig, om toch nog wat aan het leven te vinden.
Vroeger was dat anders. Toen had men geen tijd voor vermaak, brood en spelen. Er moest gewerkt worden om te leven. Liever gezegd: om te overleven. Er was toen veel meer het besef, dat met het leven, zoals dat zich aandiende, niet te spotten viel. De schraalheid van het leven, veroorzaakte dan ook veel meer het verlangen naar een beter bestaan.
Totaalverzorging
Het besef, dat er een ander bestaan mogelijk moest zijn, is verankerd in het menselijk denken. Nu we tegenwoordig ons dagelijkse leven op orde hebben, is dat besef er veel minder. We worden dan ook van de wieg tot het graf verzorgd. Uiteraard spreek ik van onze, westerse maatschappij. Geen mens kan in feite zeggen, dat hij het slecht heeft of iets tekort komt. Het zij dan, dat iemand er zelf voor kiest of zich overgeeft aan de doelloosheid. Het kan altijd beter, dat wel. Maar dan spreek je over welvaart ten opzichte van welzijn. Welvaart is een maatstaf; welzijn is een innerlijk gevoel. Met andere woorden: je hoeft je niet welvarend te weten om toch een zekerheid van welzijn te hebben. Arm of rijk; het gevoel van welzijn (lekker in je vel) hoeft er niet onder te lijden. In onze westerse maatschappij zijn we die twee zaken echter gaan verwisselen. De meesten van ons denken, dat het goed met je gaat als we in het bezit zijn van allerlei zaken, die het leven veraangenamen. Die zaken zijn dan van materiële aard (huisje, boompje, beestje), maar ook van immateriële aard (geluk, gezondheid, rust en vrede). Welzijn heeft te maken met tevredenheid; welvaart is relatief, dus veroorzaakt altijd ontevredenheid.
Het probleem met ons verzorgingsprincipe is dat we ons gaan vervelen. Werken doen we allang niet meer, omdat we anders niet meer voor onszelf kunnen zorgen. Werken is een bezigheid. Vroeger had men naast het werk niet veel andere dingen te doen, want het werk nam alle tijd en energie in beslag. Vandaag de dag zappen we van programma naar programma op de TV en gaan uiteindelijk laat naar bed, met het gevoel, dat al je tijd als los zand door je vingers is gegleden. Dat is het probleem met zinloze tijdsbesteding. Het bevredigt maar kortstondig en roept daarom altijd om meer.
Kortsluiting
Maar wat als je de grens van je mogelijkheden bereikt, wat moet je dan doen? Dit is de kern van ons probleem. Als je er teveel over nadenkt, raak je in een depressie. Er overvalt je dan een soort machteloos gevoel: je maakt je druk om gebakken lucht. En niet alleen dat: je beseft ineens dat je er niet vandaan kunt vluchten. Vooral wat oudere mensen krijgen daar last van. Ze hebben alles al eens meegemaakt en er is niet veel meer over wat hun in die kortstondige extase kan brengen.
Er zijn dan drie mogelijkheden: of je negeert het gevoel als uiting van onvolwassenheid, of je accepteert het als iets dat er bij hoort, of je gaat er mee in gevecht. In het eerste geval laat je het gewoon bestaan, maar je geeft het een plaats. Je kunt er dan met anderen gewoon over spreken, want daar ontkom je niet aan, maar je bekijkt het “probleem” als het ware vanaf een afstand. Je bent het ontgroeid en dus is het geen deel meer van je. Je hoort echter bij die klasse van mensen, die de evolutie op de voet volgen en zich een beetje als leider van het proces beschouwen. Dit soort mensen beziet de rest van de mensheid met iets van meewarigheid, vanwege hun onvermogen om ondanks een gevoel van zinloosheid, toch zingeving in het bestaan zelf te ervaren. Dit zijn de arrogante alles(beter)weters.
In het tweede geval, ga je er van uit, dat het gevoel van zinloosheid een normaal proces is waar je als mens doorheen moet, maar wat je in feite niet kunt overwinnen. Het komt namelijk steeds opnieuw en in andere gedaanten op je af. Het hoort er dus bij het menselijk bestaan. Ook hier past een volwassen houding. In feite zijn dit de agnosten: ze weten het antwoord niet (en ze willen het ook niet weten). Let er op, dat net als de eerste categorie ook dit geen zoekers zijn.
Overigens wordt het agnost zijn, tot een manier van leven: zelfs als er iets van een oplossing opdoemt, zal men toch niet toe willen geven. Agnosten zijn dus eeuwige (beroeps)twijfelaars. Ze twijfelen niet omdat ze het werkelijk niet weten, maar omdat ze het twijfelen tot deugd hebben verheven. Een echte twijfelaar wil geen oplossing, want dan hoeft ‘ie niet meer te twijfelen en valt alles in duigen. Deze houding is menselijk gezien de beste. Het dwingt je namelijk niet tot een keuze. Ook veroorzaakt het geen ruzie, want waarom zou je een ander zijn al dan niet uitgesproken mening niet gunnen?
Als je er mee in gevecht gaat, betekent dit dat je een antwoord wilt. Sommigen gaan er op een afstand mee in gevecht, door het niet altijd een issue te laten zijn. Het is gespreksonderwerp op die momenten dat het aan de orde is. Maar het spreken erover is al een vorm van een oplossing. Dit soort mensen zijn echte zoekers. Het komt niet op hun af, zoals bij de alles(beter)weters of de agnosten. Ze zoeken het op. Ze willen ook van iedereen weten hoe zij het in hun leven hebben opgelost. Het zijn ook de probeerders. Ze gaan naar India of Nepal. Ze bezoeken scholen. Ze bestuderen de oude – en nieuwe filosofieën. En steeds vinden ze iets dat op een oplossing lijkt.
(wordt vervolgd)


Commentaar