Andere samenleving; andere christenen (5)
2010
Christen-zijn is niet spectaculair (deel 2)
Maar “het” is ‘t toch weer niet
Onder de laatste categorie, de echte zoekers, bevinden zich de meeste religieuzen en gelovigen in de kerken. Ook zij beseffen, dat er iets aan hun leven ontbreekt. Maar omdat hun denken geïmpregneerd is met de wens om zichzelf te bevredigen, zijn ook zij op zoek naar welvaart. Geestelijke welvaart. En vanwege ons belevingsgerichte denken, willen we bezig gehouden worden. Als we er maar niet meer aan hoeven te denken. Want als we er niet aan hoeven te denken, voelen we ons tevreden. Als die stem die voortdurend fluistert: “Ja, maar …” maar overstemd wordt.
Het probleem is, dat dit soort houdingen niet vol te houden is. Op het eind is het met de tijdelijk bevredigde zoekers zelfs nog veel slechter gesteld. Ze hebben hun tijd verdaan. En nu staan ze nog met lege handen. Want dat is het punt van mijn betoog: de mens weet!
Overschreeuwen
Hij kan negeren, overschreeuwen, er mee in discussie gaan, het proberen tot zwijgen te brengen door schijnoplossingen, maar het helpt hem niet. De bijbel geeft aan, dat op een bepaald moment elke knie zich zal buigen voor Jezus Christus en zal erkennen dat Hij Heer is. Er staat niet, dat dit in alle gevallen van harte zal gaan. Het punt is echter, dat iedereen er op zijn eigen manier mee om kan gaan, maar dat op het eind maar één Heer overblijft: Jezus Christus.
Op dit moment zegt de alles(beter)weter: “dat kun je nu wel vinden, maar je hebt gewoon het inzicht niet, dat ik wel heb”. En hij doet verder zijn ding.
Op dit moment zegt de agnost: “het zou kunnen, maar ik weet het niet. Laten we er maar eens over praten, als JIJ dat wilt, dan leg IK je wel uit, waarom JIJ het ook niet kan weten”. En ook hij doet zijn ding.
En op dit moment zegt de echte zoeker: “maar als het dan uiteindelijk gaat om die Ene: Jezus Christus, dan wil ik vanaf nu niet meer zoeken en mijn knieën alvast buigen voor Hem en Hem belijden als Heer”. En ook hij doet Zijn ding.
Ook sommige christenen moeten zich bekeren
Je komt pas echt thuis, als je een oplossing hebt gevonden voor die leegte die elk mens met zich meedraagt in het hart. Die leegte is door God gemaakt. In iedere mens. Niemand uitgezonderd. God heeft het echter aan de mens zelf overgelaten hoe hij met die leegte omgaat en waarmee hij het wil vullen. Er is echter niets op deze wereld (ook niet in het denken van de mens) dat in dat gat past.
Het is als een slot in een deur van een bibliotheek, waarvan je weet dat daar alle antwoorden op alle vragen aanwezig zijn. Op dat slot past echter maar één sleutel. De alles(beter)weter zegt, dat die bibliotheek en derhalve het slot en de sleutel niet bestaan. De agnost zegt, dat niemand kan weten (hij wil het ook niet weten) of er wel een bibliotheek bestaat. Maar de zoeker laat zich door iedereen op weg sturen en is op die manier bezig om elke mogelijkheid uit te proberen. Hij is diep in zijn hart overtuigd, dat er een bibliotheek bestaat en dat het mogelijk moet zijn om die binnen te gaan.
God laat de mens niet vallen
God heeft de mens en zijn leegte niet in de steek gelaten. Hij heeft niet alleen geopenbaard, dat die onrust in de mens door dat gat (leegte) wordt veroorzaakt, maar heeft ook de oorzaak er van getoond. En Hij heeft tevens verteld waar de sleutel te vinden is. Er is echter één voorwaarde: de mens moet erkennen!
Als je dat gat, die leegte, in de mens voorstelt als een tape, die voortdurend dezelfde boodschap laat horen, dan zou die boodschap kunnen zijn: “erken dat je het op eigen kracht niet voor elkaar krijgt”. Die boodschap is niet: bekeer je, want dat impliceert al dat de mens weet, waarvan en waarnaartoe hij zich moet (be)keren. En dat weet hij op dit moment nog niet. Het enige dat de mens moet doen, is erkennen dat hij tekort schiet. Dit is zogezegd, letterlijk een sprong in het duister. Op dat moment, komt de Geest van God over hem en geeft hem twee dingen: ten eerste, de richting waarheen hij op weg moet gaan en, ten tweede, de kracht om ook werkelijk die weg te gaan.
Uitverkiezing
Op dit moment heb ik een aantal lezers in verwarring gebracht. Namelijk zij die hebben geleerd, dat de mens zelf niets toevoegt aan zijn bekering, maar dat alles van God komt. Geen eigen werk van de mens, zogezegd. Over dit thema is al vele eeuwen strijd in de kerk.
Als je echter mijn uiteenzetting goed tot je door laat dringen, dan vind je daarin niets van eigen werk. Ten eerste is daar dat gat, die leegte. God heeft die leegte veroorzaakt, toen de mens besloot zijn eigen weg te gaan en hij buiten de hof van Eden werd geplaatst. Ten tweede volgt uit de aanwezigheid van die leegte, dat de mens altijd op zoek is om die leegte te vullen. Hij weet echter niet waarmee en tobt rond in het duister, zonder te weten waar hij terecht komt. De mens is echter vastbesloten om zijn zoektocht op eigen kracht te doen.
Elk mens bezit echter ook het vermogen om te concluderen, dat hij geen oplossing kan vinden voor die onrust, die door die leegte ontstaat. Hij is niet compleet, maar weet niet (noem het ontkennen!) hoe dat komt. Maar elk mens komt, vroeg of laat, tot de conclusie, dat hij blijkbaar niets kan bedenken, dat een echte en duurzame (lees: eeuwige) oplossing biedt voor het probleem.
En weer is daar God..
Op dit moment komt God alweer te hulp. Hij laat de mens zien, dat er wel degelijk een Weg is. En dan geeft Hij die mens ook nog eens de kracht om die Weg te gaan. Nu is mijn vraag: op welk moment is het behoud van deze mens op enig punt afhankelijk van eigen werk?
Ik besef, dat ik er op dit moment niet het laatste woord over kan zeggen: dit artikel is al lang genoeg.
Het enige dat ik nog wil benadrukken, is dat iedereen, dus ook de christen, niet alleen af moet zien van elk werken in eigen kracht, maar ook van een egocentrische houding. God is de Enige die leegte in het hart van de mens kan vullen. Ook de christen zal dus moeten ophouden de leegte in zijn hart zelf op te vullen. En daar gaat het met de meeste christenen mis. Maar dat heeft ook weer een oorzaak: de natuurlijke neiging van de kerk om alles weer in regels en wetten te vatten.
Ik gaf het al aan: we moeten vernieuwd worden in de geest van ons denken. We moeten op een andere manier leren omgaan met de zaken. God zegt ons Hem op de eerste plaats te stellen. Voor alle andere zaken, niets uitgezonderd, zal Hij zorgen.
De boze, dat is de satan, heeft echter al vele eeuwen ervaring in het misleiden van de mens. Keer op keer slaagt hij er in om de mens op het verkeerde been te zetten. En zijn truuk is altijd dezelfde: het proclameren van een halve waarheid, verpakt in een omhulsel van twijfel.
Een volgende keer zullen we hier verder op ingaan.
(wordt vervolgd)


Commentaar