Vermoeid en belast (1)

IJdel­heid der ijdelheden

Een typ­is­che ijdele attrac­tie: de draaimolen

Prediker heeft er al over: alles is ijdel­heid. Hij drukt zich overi­gens nog wat prak­tis­cher uit: “Alles leidt tot niets”. Bij ijdel­heid kun je denken aan iets waar je nog plezier aan beleven kunt, maar wat geen wezen­lijke inhoud heeft. Geen body, zogezegd.

IJdele bezighe­den zijn plezierig als je even je gedachten wilt ver­strooien en even “ner­gens” mee bezig wilt zijn. IJdele zaken wor­den pas een prob­leem, als je er achter komt, dat je er niet aan kunt ontsnap­pen. IJdel­heid of het naja­gen van wind, zoals Prediker zegt, is een cirkel waarin het bestaan van de mens zich afspeelt.

Dwaas en onverstandig

Het prob­leem man­i­fes­teert zich met name bij hen die er over nadenken. Prediker zegt in hoofd­stuk 1 vers 17 en 18: “Ik heb me er met hart en ziel voor inges­pan­nen te ont­dekken wat wijs is, en wat dwaas en onver­standig is. Maar ook dat, zo heb ik ingezien, is enkel naja­gen van wind. Want wie veel wijsheid heeft, heeft veel ver­driet. En wie ken­nis ver­meerdert, ver­meerdert smart.”

Maar ook het naja­gen van de genoe­gens van het leven lei­den vol­gens Prediker tot niets: “Ik zei tegen mezelf: Kom, laat ik proberen de genoe­gens van het leven te smaken en te geni­eten van het goede. Maar ook dat, ont­dekte ik, is enkel leegte. Vrolijkheid, zei ik tegen mezelf, is niet meer dan dwaasheid. En waar leidt vreugde toe? Ik heb mezelf onderge­dom­peld in de vrolijkheid van de wijn, en ik greep die dwaasheid aan om te onder­zoeken of ik in mijn wijsheid-want die behield altijd de overhand-kon ont­dekken wat een mens het beste doen kan, dat lut­tel aan­tal lev­ens­da­gen dat hij door­brengt onder de hemel.”

Een afkeer van het leven

Het punt waar hij uitein­delijk terecht komt, is dat het alle­maal niet uit­maakt. Hij verzucht dan: “Ik kreeg een afkeer van het leven. Elke bezigheid onder de zon ging me tegen­staan, want het is niet meer dan lucht en naja­gen van wind. Van alles waar­voor ik me had afge­beuld onder de zon kreeg ik een afkeer. Ik zou het moeten achter­laten voor mijn opvol­ger, en wie zou kun­nen zeggen of hij wijs of dwaas zou zijn? Toch zou hij de macht ver­w­er­ven over alles wat ik met mijn wijsheid had bereikt. Ook dat is enkel leegte.” Je zou er moede­loos van worden.

Als je de ont­boezemin­gen van Prediker zo op je in laat werken (en ik raad een ieder aan om zijn hele boek eens te lezen; zoveel is dat niet) word je er niet bli­jer op.

Maar ook valt je op, dat er tussen de sit­u­aties, die Prediker omschri­jft en de sit­u­aties in onze tijd, niet eens zoveel ver­schil is. Net zoals Prediker hebben ook wij een bestaan onder de zon. En ook de gebeurtenis­sen zijn niet zo anders. Ook wij kun­nen onrecht aan­wi­jzen en ook wij kun­nen de con­clusie trekken: er is niets nieuws onder zon.

Niets nieuws onder zon

Er is echter een ding, wat in Prediker wel heel duidelijk naar  voren komt en dat is dat hij reken­ing houdt met God. Tegen­wo­ordig ver­li­est de mens in toen­e­mende mate het besef dat er een God is. Om die reden ken­nen we ook zoveel aflei­d­ing in het leven. Want zon­der aflei­d­ing in het leven, ga je nadenken en kom je zon­der uit­zon­der­ing op het­zelfde punt als Prediker: alles is ijdelheid.

Maar op het moment, dat je even uit de ker­mis der ijdel­heid van het leven ontsnapt, over­valt je de leegte als een donkere ver­stikkende deken die plot­sel­ing over je hoofd wordt gewor­pen. En dan voel je het ineens: ik ben moe, zo ver­schrikke­lijk moe.

(wordt ver­volgd)

This entry was posted in Christendom, De praktijk. Bookmark the permalink.

Geef een reactie