Vermoeid en belast (2)

Waarom is de mens op zoek

Dan weet je het tenminste…

Dodelijke fuik

We hebben gezien, althans als je regel­matig mijn stuk­jes leest, dat de men­sheid ten opzichte van haar uitein­delijke doel, in een soort dodelijke fuik is gezwommen.

Er is geen ontkomen aan: iedere mens is afgeweken van het doel, dat God met de mens heeft. Vanuit de mens gespro­ken is er ook geen weg terug. Er is geen oplossing.

Om deze reden zegt de ene mens “laten we dan maar eten en drinken, geni­eten van het bestaan op deze aarde zolang het nog kan, want mor­gen gaan we dood” en geeft een andere mens er de brui aan en pleegt zelfmoord.

Maar het leeuwen­deel van de men­sheid ver­keert in een zekere pas­siviteit ten opzichte van het leven. Het maakt ze alle­maal niet uit. Ze “ver­leven” hun bestaan van dag tot dag zo goed en kwaad het gaat.

De nor­maal­ste zaak van de wereld

Je zou je natu­urlijk af kun­nen vra­gen of dit alles nu zo ver­schrikke­lijk is. Het is echter wel zo, dat de psy­cholo­gen en psy­chi­aters overuren draaien: hun wachtkamers zit­ten vol met mensen, die maar op een ding antwo­ord willen hebben: wat heeft het leven voor zin. Natu­urlijk kun je die vraag op ver­schil­lende manieren stellen. Je zou ook kun­nen zeggen dat er een chro­nisch gevoel is van “niet lekker in je vel zitten”.

Dan zijn er nog de gebeurtenis­sen waar iedereen op meer of min­dere mate mee wordt gecon­fron­teerd: de aard­bevin­gen, tsunami’s en ander onheil als vulka­a­nu­it­barstin­gen, waar men geen raad mee weet.

Er is nogal wat in het mensen­leven aan te wijzen, dat het gevoel van onbe­ha­gen alleen maar ver­sterkt. Denk ook aan aller­lei allergieën en ziek­ten, die ons teis­teren. Kor­tom: als je er wat verder over nadenkt, zinkt de moed je in de schoenen.

Nie­mand uitgezonderd

En het prob­leem is dan ook nog, dat het ons alle­maal treft. Geen mens op deze wereld kan zeggen, dat hij of zij er aan kan ontsnap­pen. Want uitein­delijk treft ons alle­maal het groot­ste onheil, dat we ons maar kun­nen voorstellen: we gaan dood. Als je dit tot je laat door­drin­gen, dan raakt de con­clusie je op een zeker moment als een mok­er­slag: het heeft alle­maal geen zin.

Prediker (de schri­jver van het gelijk­namige boek in de bij­bel) heeft er zeer diep over nagedacht:

Prediker 9:2 – 3 “Alles is gelijk voor allen, een­zelfde lot treft de recht­vaardige en de god­de­loze, de goede en de reine, alsook de onreine; hem die offert, en hem die niet offert; het gaat de goede eve­nals de zon­daar, hem die zweert, als hem die de eed schuwt.Dit is het erg­ste, dat onder de zon geschiedt: dat allen een­zelfde lot treft; daarom is het hart der mensenkinderen vol boosheid en is er verd­waas­d­heid in hun hart hun leven lang; en daarna gaat het naar de doden”

Een ding heeft elke mens met de ander gemeen: ze wor­den moe van het leven. Op de een of andere manier voelt het namelijk niet goed. Steeds is er op de achter­grond het vage begri­jpen, dat dit zo niet de bedoel­ing is.

God voert Zijn plan uit

God zelf laat zich echter niet van de wijs bren­gen. Hij weet dat de over­leg­gin­gen van het hart van de mens te allen tijde boos zijn. Hij ontwikkelde dus een red­dings­plan, waar­bij Hij op zijn beurt weer onafhanke­lijk zou zijn van de mens. Maar voor de red­ding van de men­sheid had Hij wel een mens nodig. Het moest echter een mens zijn, wiens hart oprecht zou zijn, zon­der vlek of rimpel.

Maar daar­naast ook een mens, die volkomen te vertrouwen zou zijn. En vind die maar eens, als je al weet dat er nie­mand is die goed doet; zelfs niet één. Ieder mens is onbe­trouw­baar en geneigd tot alle kwaad.

Die mens, die in feite vol­maakte, mens zou dan de mid­de­laar kun­nen zijn tussen God en de mens. Hij zou het voor­beeld kun­nen geven. Maar het geven van een voor­beeld alleen is niet vol­doende. Het zou de mens zelf in principe niet verder helpen. Daar­naast: op die manier zou de mens het alsnog in eigen kracht moeten doen en dat bleek nu juist de bottleneck.

Nee, de mens die het tussen God en de men­sheid in orde zou maken, moest tevens in staat zijn om die mens met kracht terz­i­jde te staan. Het als het ware van te voren al voor die mens te rege­len, zodat ook hier niets van inbreng van de kant van de mensen nodig zou zijn.

God wilde dus niet alleen dat het op Zijn manier zou gebeuren, maar Hij zou ook de kracht en de energie, maar ook de moti­vatie lev­eren, zodat Hij zeker kon zijn van de goede afloop. Van de kant van de mens was toch niets zin­vols te verwachten.

(wordt ver­volgd)

This entry was posted in Christendom, De praktijk. Bookmark the permalink.

Geef een reactie